What are communities of practice? A comparative review of four seminal works

Tijdens de kenniskringbijeenkomst van 9 dec. jl. is bovenstaand artikel van Cox besproken.1 Het artikel is relatief oud, 2005, maar biedt desondanks een belangrijke basis voor het werken met Communities of Practice, CoP. In het artikel worden vier brondocumenten besproken die alle een andere kijk geven op de theorie en op kernbegrippen als ‘community’, ‘leren’ en ‘macht’. De vier verschillende benaderingen hebben echter alle als vertrekpunt dat:

– de betekenis ‘the meaning’ van dingen (bijv. toetsen) lokaal en sociaal geconstrueerd is

– de persoonlijke identiteit een centrale rol speelt bij het lere

1) De theorie wordt in 1991 geïntroduceerd in: Situated learning: legitimate peripheral participation van Lave & Wenger.2 Dit kleine en leesbare boekje werpt een voor die tijd nieuwe, aantrekkelijke kijk op leren. Het heeft een groot ‘Ja, zo zit het’ gehalte.

– De focus ligt op praktijkleren

– en is sterk gericht op nieuwkomers

Het bekende beeld is dat van een student in een peripheral position (aan de rand van de blog-1community), die door actieve deelname die begint met peripheral participation, langzaam opschuift naar de kern van de community (als professional) naarmate hij/zij de taal / manier van doen van de community beter beheerst. Deze eerste, wat simpele en schematische benadering is als erg toepasbaar herkent, en al snel populair. Deze benadering wordt nog steeds veel gebruikt, en als mensen even snel verwijzen naar CoP, bedoelen ze vaak meer of minder bewust deze eerste benadering. Naarmate CoP meer wordt het gebruikt, groeit echter ook de kritiek: de werkelijkheid is heel veel complexer dan één community.

2) Ongeveer tegelijkertijd verscheen ook het artikel van Brown & Duguid.3 Anders dan bij de eerste benadering, laat deze benadering zien hoe nieuwe kennis binnen een organisatie (community) ontstaat.De onderliggende aanname is: dat de oplossing van een nieuw probleem (getting the job done) altijd afhankelijk is van de wijze waarop binnen een groep (de community) betekenis wordt gegeven aan de situationele omstandigheden (geld / geografische situatie / ruimte etc.). Deze benadering laat mooi zien hoe nieuwe kennis zich binnen een bestaande groep professionals ontwikkelt en hoezeer dit afhankelijk is van de cultuur binnen die groep. Ook deze benadering blinkt uit in eenvoud, dat is een kracht, maar zeker ook een zwakte. Zo wordt in deze bandering nauwelijks rekening gehouden met zaken als macht en hiërarchie.

3) De derde benadering wordt in 1998 naar voren gebracht door Wenger in het boek: Communities of practice: learning, meaning and identity.4 De theorie is in deze benadering veel beter uitgewerkt maar verliest daarmee ook iets van zijn aantrekkelijke eenvoudblog-2. In deze benadering geeft Wenger een duidelijke definitie van een ‘community of practice’, alsook een gedegen omschrijving van de verschillende concepten. De focus ligt nog meer op ‘identity’ development, waarbij de weg (of trajectory) van de student naar professional meer uitgebreid wordt beschreven. Daarnaast wordt nu ook aandacht besteed aan het feit dat mensen meestal deel uit maken van meerdere communities tegelijkertijd (bijv: community van reguliere studenten en community van honours studenten) en van grenzen/boundaries tussen de communities, zoals (in)formele toelatingseisen. Deze benadering is erg bruikbaar in studies naar professionele ontwikkeling / self-regulated learning / identity development etc.

4) De aandacht voor de individuele ontwikkeling tot professional, of … tot een door de blog-4organisatie gewenste professional kan worden opgevat als een fantastische management tool. Een ontwikkeling die ook door Wenger zelf wordt gemaakt in de vierde benadering Cultivating communities of practice.5   In dit goed leesbare management handboek ligt de focus op:

– belang van CoP als managementtool

– innovatie en probleemoplossing

In deze benadering wordt veel gewerkt met de concepten: gedrevenheid / vrijwilligheid / diversiteit. Elkaar opstuwen tot groter hoogten. Benadering is behoorlijk populair, en heeft er toe geleid dat in menig grote organisatie expliciet ruimte wordt gecreëerd voor deze vorm van samenwerken (bijv. het organiseren van grote en kleine kenniskring bijeenkomsten, maar ook door mensen vrij te laten en ten gunste van de organisatie, te laten groeien in hun eigen (virtuele) netwerk, als manier om diversiteit binnen te halen. Daarnaast wordt CoP in deze benadering ook ingezet als manier om klassieke management issues te benaderen zoals: verander-management / innovatie / motivatie / gevoel van erbij horen etc.

Tot slot. Communities of Practice is een jonge theorie met een nog levende grondlegger. Dat is aantrekkelijk en maakt dat de theorie kan worden verbetert/aangepast. Het betekent echter ook dat juist door de veranderingen verwarring kan ontstaan over waar de theorie nu precies voor staat. Daar er op dit moment veel met de theorie wordt gewerkt, is met de bespreking van dit relatief oude artikel getracht de basis stevig neer te zetten, zodat men naar de juiste bron kan verwijzen .

Door Janet Raat, medisch socioloog/ethicus en onderzoeker, Lectoraat Excellentie in Hoger Onderwijs en Samenleving, Groningen

1   Cox, A. (2005) What are communities of practice? A comparative review of for seminal works. Journal of Information Science, 31(6), 527–540.

2   Lave, J. & Wenger, E. (1991) Situated learning: legitimate peripheral participation. Cambridge University Press, Cambridge.

3   Brown, J.S. & Duguid, P. (1991) Organizational Learning and Communities of Practice: Toward a unified view of working, learning and innovation. Organization Science 2(1), 40-75

4   Wenger, E. (1998) Communities of practice: learning, meaning and identity. Cambridge University Press, Cambridge.

5   Wenger, E., McDermott, R. & Snyder, W.M. (2002) Cultivating Communities of Practice. Harvard Business School Press, Boston.

 

 

 

 

Geplaatst in Onderzoek & wetenschap, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

EAPRIl 2016

Eind november, regenachtig, winderig en koud Porto. Tijd voor de EAPRIL. Een Europese conferentie voor iedereen die werkzaam is op het snijvlak van onderzoek en uitvoering van het onderwijs. Al op Schiphol bleek dat er ook dit jaar weer een grote Nederlandse delegatie aanwezig zou zijn. Het programma zag er veelbelovend uit met de oprichting van een nieuwe Cloud, een soort werkgroep rond het thema Wellbeing. Het aantal sessies rond excellentie, toptalenten, honours was helaas zeer beperkt.

Tijdens de lunch op de tweede dag kwam ik per toeval naast iemand te zitten die vanuit de Universiteit Antwerpen onderzoek doet naar welbevinden. De grote belangstelling voor haar sessie die middag maakte duidelijk dat aandacht voor welbevinden in het onderwijs booming is. Tegelijk kwamen er concrete vragen over evidentie voor dingen die mensen ‘op onderbuikgevoel’ doen om het welbevinden van studenten of leerlingen te stimuleren. De schaarse onderzoeksresultaten die er zijn lijken elkaar ook nog weleens tegen te spreken. Laat mijn onderzoek zich nou nét gaan richten op meer evidentie rond welbevinden in het onderwijs…..

De laatste conferentiedag bracht een mooie anekdote die het belang van honours mooi duidelijk maakt. In een van de sessies, verzorgd vanuit de NHL, werd het volgende verhaal gebruikt. Vroeger werden cockpits voor de Amerikaanse luchtmacht gemaakt op de maten van de gemiddelde piloot. Een gemiddelde beenlengte, gemiddelde armlengte. Maar geen enkele piloot voldeed aan al deze gemiddelde maten. Kortom, one size fits all resulteerde uiteindelijk in one size fits nobody. Lopen we dat risico niet ook in het onderwijs als we uitgaan van de gemiddelde leerling en daar hooguit wat extra ondersteuning of extra uitdaging aan toevoegen? Bij de luchtmacht werd dit probleem opgelost door in de nieuwe ontwerpen van de cockpits juist uit te gaan van uitersten. Als de maten zijn afgestemd op de grootste, dikste, kleinste en lichtste piloot en binnen deze uitersten flexibel in te stellen zijn, hebben we dan niet eigenlijk pas écht one size fits all? Hoe mooi zou het zijn als we in ons onderwijs vooral uitgaan van de ‘uitersten’, zodat we uiteindelijk onderwijs ontwerpen dat aan ieders eigenschappen tegemoet komt?

Door: Jolise ’t Mannetje, Saxion Hogeschool en Lectoraat Excellentie in Hoger Onderwijs en Samenleving

Geplaatst in Congres bezoek | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Prenaissance: de geboorte van een nieuwe menselijkheid

arie

Op donderdag 22 september woonde ik een lezing bij van prof. dr. Harry Kunneman, hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek, georganiseerd door het GAN (Groninger Andragogen Netwerk). Startpunt van zijn nog niet in detail uitgewerkte gedachten is de duiding van de sombere sfeer en het egoïsme van onze tijd, waar hij ook in eerder werk al over sprak en schreef. “De afgelopen jaren is sprake van toenemende destabilisering, zegt Kunneman, “er woeden economische, sociale en ecologische crises. Het onvermogen van burgers om met destabilisering om te gaan groeit. Zij trekken zich terug. Hun standpunten verharden”. Hij stelt dat dit er op duidt dat de manier waarop in het westen over humaniseringsprocessen is gedacht vernieuwd moet worden.  Volgens hem kunnen wij niet meer zonder problemen de traditionele uitgangspunten van wetenschap en religie gebruiken om de huidige vraagstukken aan te pakken. We moeten zoeken naar iets nieuws. Hij presenteerde zijn opvatting dat er bemoedigende ontwikkelingen gaande zijn die wijzen op vernieuwende opvattingen, denkwijzen en organisatievormen wijzen. Deze ontwikkelingen vat hij samen onder de noemer van de “prenaissance”. “De prenaissance is verbonden met vernieuwende zoektochten van mensen die in hun leven en werk gehoor geven aan het ethische en morele appel dat de grote vragen van onze tijd op hen doen. Daarbij gaat het niet om een ‘zeker weten’, maar om een verlangen ‘te leven naar waarheid’. Het nieuwe is nog niet geboren, maar er ontstaan nieuwe denkwijzen en organisatievormen, die in de plaats zouden kunnen komen van de ordeningen die lange tijd gedomineerd hebben, maar nu niet langer voldoen.

Ik heb de lezing als onderwerp voor deze blog genomen omdat ik hier een prachtig voorbeeld in zie van kwaliteiten die wij zo benadrukken voor het onderwijs: nieuwsgierigheid, een open geest en oog voor verbeteringen voor de wereld, klein of groot. Wat mij bijzonder aanspreekt bij Kunneman is dat hij als wetenschapper met een lange ervaring in zijn discipline in staat is die kwaliteiten te manifesteren. Hij kijkt én speurt en vindt nieuwe ontwikkelingen. Hij stelt vanzelfsprekendheden in zijn vakgebied aan de kaak en laat een passie, een onaflaatbare inzet zien om bij te dragen aan oplossingen voor deze tijd. Het publiek, dat bestond uit een mengeling van vakgenoten en geïnteresseerden, had soms merkbaar moeite met de radicale ideeën die hij besprak en ik voelde het ongemak die zijn stellingen bij sommigen teweeg brachten.

Hij begon zijn betoog met de beschrijving van de blinde vlek van de humanistische wetenschap: we  beschouwen humaniteit eenzijdig op de positieve waarden en niet op de negatieve kanten. Hij noemt dat antropologische bijziendheid. Er wordt alleen gezien wat men wil zien. Hij bestrijdt het dominante idee dat het kwaad verdwijnt als we maar zorgzaam, rechtvaardig etc. zijn. Het kwaad is volgens hem net zo inherent aan het leven als het goede. Op basis van het werk van sociobioloog Lin Marcus liet hij dit zien aan de hand van de basisprincipes van leven voor één cel. De basisvoorwaarde voor het leven is het celmembraan dat zorgt dat de cel afgesloten wordt zodat binnen die begrenzing van alles kan gebeuren. Om voort te bestaan moet de cel omgaan met zijn omgeving, leven is altijd is gepositioneerd in een sociale relatie. En hier is sprake van bedreiging of van mogelijkheden (bijv. voedsel). En dan is er niet zozeer sprake van goed of kwaad, maar van de keuze uit drie mogelijkheden om voort te kunnen leven: vernietigen van de anderen, onderwerpen (exploitatie) of samenwerken (symbiose).

Een belangrijk dominant uitgangspunt van de humanistiek dat hij aan de kaak stelt noemt hij het antropocentrische narcisme: de mens is de maat aller dingen en staat bovenaan in een hiërarchie waarin dieren, planten  etc. ondergeschikten zijn. Dit uitgangspunt is een belangrijke rem op het denken over de maatschappelijke problemen van vandaag. Schaarste, ongelijkheid, ecologische problemen. Voor zijn alternatief wordt hij geïnspireerd door de horizontale biologie, dat wil zeggen horizontalisering van de mensen t.o.v. andere levensvormen in plaats van hiërarchie. Hierbij noemde hij het werk van Frans de Waal. Voor het leven gelden voor een mens geen andere wetten dan voor een plant, dier of een  cel. Het ontstaan van gevoelen en emoties bijvoorbeeld is een ontwikkelingsstap van een organisme in de relatie met zijn omgeving. Emoties zijn de verhalen over de toestand van het eigen lichaam, gevoelens ontwikkelen zich wanneer deze bewust worden geregistreerd. Als dat vervolgens ook bij ander leven wordt erkent ontstaan zorg, erotiek en spel. Deze registers zijn de gegeven mogelijkheden waarover we geen zeggenschap hebben en die zijn dus veel ouder dan de mens. Alles wat leeft heeft daar mee te maken.

Het voorgaande levert een aanknopingspunt op hoe we met elkaar kunnen omgaan: leven is inherent aan wrijving en de vraag is hoe we meer leerzame wrijving te weeg kunnen brengen tussen elkaar. Kunneman stelt dat het leven baat heeft bij een leerproces dat hij vreedzame begrenzing noemt. En ten tweede dat humanisering een leerproces is dat in al het leven is vastgelegd: Slimme dieren, pientere planten, gisse microben.

Op zoek naar een nieuwe humanistiek geeft hij drie wegwijzers aan:

  • nieuwe horizontale denkwijzen over de verhouding tussen mens en natuur en daarmee verbonden praktijken;
  • nieuwe denkwijzen over individuele autonomie en intimiteit in relaties. Hier moeten we op zoek naar vormen die ruimte bieden aan echte autonomie, zorgzaamheid én manieren om met de wrijving die onlosmakelijk verbonden is met samenleven om te leren gaan, bijvoorbeeld via het concept dat hij vreedzame begrenzing noemt;
  • tenslotte nieuwe waarden in professionele contexten, ondersteunend aan de eerste twee. Een belangrijk aandachtpunt daarbij is een sterkere focus op het ontwikkelen van moreel kapitaal in organisaties.

 

Kunneman is duidelijk in zijn kritiek, maar blijft geloven in de mogelijkheden van de mens om nieuwe wegen in te slaan. En dat is denk ik precies wat wij met ons onderwijs en onderzoek ook voor ogen moeten houden.

Arie Kool is onderzoeker bij het Lectoraat Excellentie in Hoger Onderwijs en Samenleving en hogeschooldocent bij de Academie voor Verpleegkunde

Geplaatst in Onderzoek & wetenschap, Opinie | Tags: , | Een reactie plaatsen

Europe cannot afford to lose talent

How can higher education in Europe work together to help the talents of today develop themselves into the excellent professionals of the future? A group of people dedicated to advancing this agenda met last week to write a plan to support this agenda.

ehc2

In inspiring surroundings in the Danish town of Sorø, board members of the European Honors Council (EHC) were joined by Danish representatives of Metropol University College and our hosts at ScienceTalenter. Meeting place was the magnificently equipped Maersk McKinney Møller Videncenter, where young science talents from all around Denmark regularly meet for science camps, usually lasting three or four days.

ehc1

Baseline                                                                                                                                                 There is so much to do to advance the talent agenda, where to start? The first day was spent exploring ideas, comparing them and finding common ground. On the second day decisions were made, plans worked out and working groups formed. The baseline is simple: Europe cannot afford to lose talent. But making a coherent plan to put this into practice is not easy. After two exhaustive days of talking, the first snow of the season started falling, turning Sorø into a winter wonderland where teenagers from a science camp were having a friendly snowball fight.

ehc3

Exchange                                                                                                                                                   On the next (and last) day focus shifted from generating ideas to exchanging ideas. The group moved to Copenhagen for a double visit. First we were received at the Ministry of Science and Higher Education. They are thinking of new talent development strategies and were keen on hearing European experiences. In return, they gave an update on Danish policy developments and presented an interesting study (in Danish only) by the Danish Evaluation Institute, mapping all talent development initiatives in higher education in the period 2004-2015. In one graph, they showed the development of the number of programs in relation to policy changes. For a period, government-supported and -financed talent (or ‘elite’) programs at the master level flourished. But once financial support ended, a lot of these programs disappeared again. Meanwhile, the number of talent programs at the bachelor level (which did not receive the same amount of support), kept slowly but steadily increasing.

ministry-11nov16

Off we went again, and a quick taxi ride brought us to our second destination: Metropolitan University College, or Professionshøjskole (PH) Metropol in Danish. Dean Henrik Busch received us and briefed us on the institution’s strategic plan, which sounded very to-the-point. Then we were shown the brand new facility ‘House of Practice and Innovation’, where a realistic and interdisciplinary milieu of training and simulation for students of all educations is created. For example, it includes a mini-hospital, equipped with a lot of sensors and cameras, where scenarios can be played out and recorded, to be evaluated later. The same goes for an apartment, where for example social work students can play a scenario of a family visit.

Then rector Stefan Hermann joined us and we concluded with an exchange of ideas about how to advance the talent agenda in the Nordic countries. Hermann is the expert on this issue, having headed the Danish government’s working group on talent in 2011, and having just served on the Norwegian committee which produced this country’s first-ever government-initiated report on the needs of the talented and gifted.

What was the main lesson learned in these three days? It takes some time to realize that despite differences in terminology and national (policy) contexts, there is common ground and there are shared goals. But if you take this time and find a common language, a whole world of possibilities for cooperation, exchange and development opens up. The EHC can be a fine tool in facilitating this process.

Written by Maarten Hogenstijn, senior researcher Hanze UAS and secretary of the European Honors Council. With many thanks to our friendly Danish hosts at ScienceTalenter, the ministry and PH Metropol; and to Marleen Eyckmans for the first two photos.

Geplaatst in Actuele ontwikkelingen, Evenementen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Het meten van de cultuur van excellentie in het Hoger Onderwijs

Sinds ik als onderzoeker werkzaam ben bij het lectoraat Excellentie in hoger onderwijs en samenleving gaat er een wereld voor me open. Wat is er veel mogelijk voor studenten die meer kunnen en willen dan het reguliere programma hen biedt! Wat er binnen een opleiding wordt verstaan onder excelleren bepaalt onder meer de criteria voor een excellente prestatie en op welke manier excelleren mogelijk wordt gemaakt. Momenteel wordt er binnen het lectoraat Excellentie en hoger onderwijs een instrument ontwikkeld waarmee van een opleiding deze en andere elementen van de heersende ‘Cultuur van excellentie’ in kaart kunnen worden gebracht.

Vanwege mijn betrokkenheid bij de ontwikkeling van dit instrument krijg ik steeds meer zicht op de elementen waar een cultuur van excellentie uit bestaat. Uit de literatuur blijkt dat er verschillende opvattingen bestaan en dat excelleren vele verschijningsvormen kent. Kunnen alle of slechts enkele studenten excelleren? Komen studenten in aanmerking voor excellentie trajecten op basis van potentieel of getoonde kwaliteiten? Gaat het er bij excelleren om dat je beter bent dan de rest of dat je boven jezelf uitstijgt? Ben je een excellente student wanneer je een opdracht perfect volgens de richtlijnen uitvoert of wanneer je werk creatief en innovatief is?

Het instrument brengt alle elementen van de heersende ‘Cultuur van excellentie’ in kaart door informatie in te winnen bij de dragers van deze cultuur: de studenten, docenten en managers. Wanneer de binnen een opleiding bestaande opvattingen aangaande excelleren inhoudelijk samenhangen met de normen en (selectievoor-) waarden van excellentieprogramma’s en de wijze waarop excelleren wordt mogelijk gemaakt in het curriculum, kun je spreken van een paradigma. Na afname van het instrument bij een opleiding voor hoger onderwijs kan worden gesteld of er sprake is van een of meerdere excellentieparadigma’s en zo ja, welke.

De heersende cultuur van excellentie kan worden afgezet tegen de gewenste studiecultuur. In hoeverre sluit de huidige studiecultuur aan bij de gewenste studiecultuur? Wat zijn sterke en minder sterke aspecten van de actuele studiecultuur? Zijn er onder de cultuurdragers mensen die als zogenaamde cultuurvertegenwoordigers zouden kunnen fungeren in een poging de huidige studiecultuur meer excellentiegericht te laten zijn? Sluit de wijze waarop het onderwijs inhoudelijk en didactisch is vormgegeven aan bij de wijze waarop excellentie volgens de heersende opvattingen dient te worden gestimuleerd? Al deze vragen zullen worden beantwoord.

En hoe bijzonder is het dan om eerstejaars studenten tijdens een kennismakingsgesprek spontaan en trots te horen vertellen over hun excellente prestaties in het VO. Een studente vertelt dat ze genomineerd was voor de titel beste gediplomeerde van het jaar. Een student vertelt dat hij toen hij hoorde dat zijn moeder niet lang meer te leven had besloot haar trots te maken door voor haar overlijden versneld zijn MBO-diploma te behalen en een half jaar voor de officiële diploma-uitreiking het zijne aan haar liet zien. Een intelligente student die vanwege faalangst naar de HAVO afstroomde alwaar hij zelfvertrouwen opdeed en zich met extreem hoge cijfers in de kijker speelde.

Het geeft voldoening hen als docent en onderzoeker te kunnen helpen het beste uit zichzelf te halen.

Door Svenja Buttner, onderzoeker Lectoraat Excellentie in Hoger Onderwijs en Samenleving, docent/promovendus Pedagogische Academie Hanzehogeschool Groningen

Geplaatst in Onderzoek & wetenschap, Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen

From PISA tourism to talent development

What is happening in the Nordic countries with regard to talent development in education? That was the main topic of the annual Nordic Talent Network conference, which was held on 22-23 September 2016 in Vaasa, Finland. Many topics came on the table: from a new landmark report in Norway to falling PISA tourism in Finland

The Nordic Talent Network has members in Denmark, Sweden, Norway and Finland. From each country, a representative gave the audience a short update about important developments. This happened in a challenging mix of languages. The main languages were ‘Nordic’ and English. The Nordic languages of Danish, Swedish and Norwegian are quite similar and if one talks slowly and without too much of an accent, people from these three countries can generally understand each other. Mild language confusion was always a possibility, but a lot of linguistic border crossing certainly took place during the two-day conference.

Swedish Finland

Host for the approximately 60-strong audience was Ǻbo Akademi in Vaasa, the institution where teacher education for the Swedish-speaking part of Finland is handled. Finland is a bilingual country and around 5% of the Finnish population has Swedish as its main language. In Svenskfinland talent development is clearly on the agenda. If this is also as strongly the case in Finnish-speaking Finland is less clear. However, an important step is the recognition of differentiation as guiding principle in the new version of Finnish teacher handbooks, host Camila Svens-Liavåg and Ph.D. student Sonja Laine told the audience. This is a big step, as Finland as well as the other Nordic countries share a tradition of strong egalitarianism. There has been relatively little attention for gifted education at the primary and secondary level and honors programs are a rare phenomenon in higher education.

PISA tourism

At the same time, Finland has been seen as a kind of educational Walhalla for many years. Finnish schools were flooded with foreign visitors who wanted to learn the secrets behind the high Finnish scores in the PISA ranking. In Finland itself this led to the term PISA tourism, named after the report which compares educational attainments among fifteen-year-olds in different countries every three years. Now that these results have dropped in the latest ranking, PISA tourism is coming to an end. The Finnish teachers present in Vaasa don’t seem to mind. They can now start focusing more on talent development.

More to gain in Norway

Another important development mentioned in Vaasa was the publication of a new report on gifted or talented children, prepared by a commission for the Norwegian government. This is the very first report of its kind and it contains clear proposals to create a culture more appreciative of academic giftedness and talent in Norway. The report by the commission called Jøsendalsutvalget was named ‘Mer å hente’, literally ‘more to gain’.

A clear result of the conference was the realisation that a lot can be gained by networking: many good practices were shared and new alliances were made. For now, the Nordic Talent Network focuses mainly on primary and secondary education, but some talent programs already link to higher education and more links can be created in the future, for example by cooperating through the European Honors Council.

More info on the conference can be found here.

An article about this subject called ‘Slow Shift—Developing Provisions for Talented Students in Scandinavian Higher Education’ by Marca Wolfensberger and Maarten Hogenstijn was published earlier this month in the open access journal Education Sciences.

Written by Maarten Hogenstijn, project leader Honors in Europe at Hanze University of Applied Sciences and Secretary of the European Honors Council.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Four trends in Higher Education Research: EARLI SIG HEC 2016

On our train ride home, passing by the scenic landscape of the Oostvaarderplassen we reflect upon a very interesting, well-organized and high quality scientific conference. What are the main research trends we signaled in higherd education research

1 Equality, dropout and first year experience

Many talks focused on dropout in the first year and the transition from secondary to higher education. Louise Effers started her keynote by explaining that higher education has a very large first year dropout. Twelve percent of havo students dropout. Numbers are even higher for minority students who are often the first within the family to enroll in higher education programs.

She points out that this is not an achievement gap but an opportunity gap meaning that minorities do have the skills and the motivation, but are simply offered less opportunies. Minority students are less well prepared as they often enter higher education by stacking diploma’s which do not prepare for higher ed. They are less well supported within their social networks. And there frequently is a mismatch between students needs and expectations and the opportunities and facilities of the higher educational environment.

Solutions she mentions are: (peer) mentoring, explicit pre-higher education routes and cooperation between different school levels. All of this should be aimed at preventing feelings alienation of minority students. A talk in one of the parallel sessions offers a promising intervention, namely presenting students with stories of others that already made it successfully through the transition phase

2 Teacher training

Although this topic was not our main interest, we  noticed that there were many talks about some form of teacher training or education. Almost each parallel session contained one or more talks on this topic. Indeed we can say studying teacher training is hot hot hot!

3 Research-based education

A recurring theme in many parallel sessions was research-based education. Research on research-based education is ‘booming’. In 2017 a full conference on this theme will be organized in London; Connecting Higher Education: international perspectives on research-based education for 21st century. At the HEC2016 there were so many talks that there even was four-part symposium on this theme consisting each of 3 – 4 talks. We only attended the one about student experiences.

Research experience helps to develop, next to the usual suspects such as critical thinking and creativity, something called ‘wicked competences’ to solve wicked problems. Critical remark: although students learn a lot by conducting research teachers evaluate only the end product. Evaluation should focus on the students’ experiences and learning processes as well.

4 Generic skills

Several talks focused on generic skills, such as communication skills, critical thinking skills, reflective skills, decision making skills, problem solving skills, creativity. We learned about the type of pedagogy which stimulates the development of generic skills. Social constructivism seems to be key here. Working together, sharing students early experiences, feedback, assessment and summarizing of tasks all contribute to the development of generic skills. Remarkably, listening to lectures, reading and working alone do not.

Patricia presented about the generic and domain specific competences of three profiles of excellent professionals: the Excellent building engineer, the excellent ICT professional and the excellent applied scientist. The generic competences common to all three profiles are: perseverance, self reflection, being proactive, being inquisitive, and cooperating well with others. The discussion highlighted that not only honours or excellent students can benefit from these profiles, but regular students can as well.

The keynote by Jan Elen added a bit of pessimism about the possibility to develop the generic skill critical thinking. He showed that albeit best intentions, interventions designed to develop critical thinking hardly transfer from one domain to another.

By Elanor Kamans and Patricia Robbe, senior researchers, research group talent development in higher education and society

 

Geplaatst in Congres bezoek, Onderzoek & wetenschap | Tags: , , | Een reactie plaatsen