Prenaissance: de geboorte van een nieuwe menselijkheid

arie

Op donderdag 22 september woonde ik een lezing bij van prof. dr. Harry Kunneman, hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek, georganiseerd door het GAN (Groninger Andragogen Netwerk). Startpunt van zijn nog niet in detail uitgewerkte gedachten is de duiding van de sombere sfeer en het egoïsme van onze tijd, waar hij ook in eerder werk al over sprak en schreef. “De afgelopen jaren is sprake van toenemende destabilisering, zegt Kunneman, “er woeden economische, sociale en ecologische crises. Het onvermogen van burgers om met destabilisering om te gaan groeit. Zij trekken zich terug. Hun standpunten verharden”. Hij stelt dat dit er op duidt dat de manier waarop in het westen over humaniseringsprocessen is gedacht vernieuwd moet worden.  Volgens hem kunnen wij niet meer zonder problemen de traditionele uitgangspunten van wetenschap en religie gebruiken om de huidige vraagstukken aan te pakken. We moeten zoeken naar iets nieuws. Hij presenteerde zijn opvatting dat er bemoedigende ontwikkelingen gaande zijn die wijzen op vernieuwende opvattingen, denkwijzen en organisatievormen wijzen. Deze ontwikkelingen vat hij samen onder de noemer van de “prenaissance”. “De prenaissance is verbonden met vernieuwende zoektochten van mensen die in hun leven en werk gehoor geven aan het ethische en morele appel dat de grote vragen van onze tijd op hen doen. Daarbij gaat het niet om een ‘zeker weten’, maar om een verlangen ‘te leven naar waarheid’. Het nieuwe is nog niet geboren, maar er ontstaan nieuwe denkwijzen en organisatievormen, die in de plaats zouden kunnen komen van de ordeningen die lange tijd gedomineerd hebben, maar nu niet langer voldoen.

Ik heb de lezing als onderwerp voor deze blog genomen omdat ik hier een prachtig voorbeeld in zie van kwaliteiten die wij zo benadrukken voor het onderwijs: nieuwsgierigheid, een open geest en oog voor verbeteringen voor de wereld, klein of groot. Wat mij bijzonder aanspreekt bij Kunneman is dat hij als wetenschapper met een lange ervaring in zijn discipline in staat is die kwaliteiten te manifesteren. Hij kijkt én speurt en vindt nieuwe ontwikkelingen. Hij stelt vanzelfsprekendheden in zijn vakgebied aan de kaak en laat een passie, een onaflaatbare inzet zien om bij te dragen aan oplossingen voor deze tijd. Het publiek, dat bestond uit een mengeling van vakgenoten en geïnteresseerden, had soms merkbaar moeite met de radicale ideeën die hij besprak en ik voelde het ongemak die zijn stellingen bij sommigen teweeg brachten.

Hij begon zijn betoog met de beschrijving van de blinde vlek van de humanistische wetenschap: we  beschouwen humaniteit eenzijdig op de positieve waarden en niet op de negatieve kanten. Hij noemt dat antropologische bijziendheid. Er wordt alleen gezien wat men wil zien. Hij bestrijdt het dominante idee dat het kwaad verdwijnt als we maar zorgzaam, rechtvaardig etc. zijn. Het kwaad is volgens hem net zo inherent aan het leven als het goede. Op basis van het werk van sociobioloog Lin Marcus liet hij dit zien aan de hand van de basisprincipes van leven voor één cel. De basisvoorwaarde voor het leven is het celmembraan dat zorgt dat de cel afgesloten wordt zodat binnen die begrenzing van alles kan gebeuren. Om voort te bestaan moet de cel omgaan met zijn omgeving, leven is altijd is gepositioneerd in een sociale relatie. En hier is sprake van bedreiging of van mogelijkheden (bijv. voedsel). En dan is er niet zozeer sprake van goed of kwaad, maar van de keuze uit drie mogelijkheden om voort te kunnen leven: vernietigen van de anderen, onderwerpen (exploitatie) of samenwerken (symbiose).

Een belangrijk dominant uitgangspunt van de humanistiek dat hij aan de kaak stelt noemt hij het antropocentrische narcisme: de mens is de maat aller dingen en staat bovenaan in een hiërarchie waarin dieren, planten  etc. ondergeschikten zijn. Dit uitgangspunt is een belangrijke rem op het denken over de maatschappelijke problemen van vandaag. Schaarste, ongelijkheid, ecologische problemen. Voor zijn alternatief wordt hij geïnspireerd door de horizontale biologie, dat wil zeggen horizontalisering van de mensen t.o.v. andere levensvormen in plaats van hiërarchie. Hierbij noemde hij het werk van Frans de Waal. Voor het leven gelden voor een mens geen andere wetten dan voor een plant, dier of een  cel. Het ontstaan van gevoelen en emoties bijvoorbeeld is een ontwikkelingsstap van een organisme in de relatie met zijn omgeving. Emoties zijn de verhalen over de toestand van het eigen lichaam, gevoelens ontwikkelen zich wanneer deze bewust worden geregistreerd. Als dat vervolgens ook bij ander leven wordt erkent ontstaan zorg, erotiek en spel. Deze registers zijn de gegeven mogelijkheden waarover we geen zeggenschap hebben en die zijn dus veel ouder dan de mens. Alles wat leeft heeft daar mee te maken.

Het voorgaande levert een aanknopingspunt op hoe we met elkaar kunnen omgaan: leven is inherent aan wrijving en de vraag is hoe we meer leerzame wrijving te weeg kunnen brengen tussen elkaar. Kunneman stelt dat het leven baat heeft bij een leerproces dat hij vreedzame begrenzing noemt. En ten tweede dat humanisering een leerproces is dat in al het leven is vastgelegd: Slimme dieren, pientere planten, gisse microben.

Op zoek naar een nieuwe humanistiek geeft hij drie wegwijzers aan:

  • nieuwe horizontale denkwijzen over de verhouding tussen mens en natuur en daarmee verbonden praktijken;
  • nieuwe denkwijzen over individuele autonomie en intimiteit in relaties. Hier moeten we op zoek naar vormen die ruimte bieden aan echte autonomie, zorgzaamheid én manieren om met de wrijving die onlosmakelijk verbonden is met samenleven om te leren gaan, bijvoorbeeld via het concept dat hij vreedzame begrenzing noemt;
  • tenslotte nieuwe waarden in professionele contexten, ondersteunend aan de eerste twee. Een belangrijk aandachtpunt daarbij is een sterkere focus op het ontwikkelen van moreel kapitaal in organisaties.

 

Kunneman is duidelijk in zijn kritiek, maar blijft geloven in de mogelijkheden van de mens om nieuwe wegen in te slaan. En dat is denk ik precies wat wij met ons onderwijs en onderzoek ook voor ogen moeten houden.

Arie Kool is onderzoeker bij het Lectoraat Excellentie in Hoger Onderwijs en Samenleving en hogeschooldocent bij de Academie voor Verpleegkunde

Dit bericht werd geplaatst in Onderzoek & wetenschap, Opinie en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s