Food for thought: ORD 2017

ORD 2017

Last week we attended the ORD in Antwerp. Looking for knowledge on higher education, honors and talent development. Although honors itself was not very high on the conference agenda we like to share six interesting findings as food for thought for honors people.

 

  1. Social inequality

Honors is often accused for being elitist. A talk by Lex Herwijer addressed this issue in the context of University Colleges. Conclusion of the talk: University Colleges accommodate quite some international students, female students and students whose parents have VWO diploma’s. Interestingly, they accommodate the very rich and the very poor, while the middle class seems to be less represented. Why is this the case? And although we honors people don’t like to pose the question, could this also be true for honors? Our estimated guess says yes, as inequality in education is partly explained by selection processes as well as by self-selection on both financial and psychological grounds. Something to explore further we would say.

  1. Non-cognitive selection tools and cognitive effect measures.

Coming back to selection. In honors we tend to select on both cognitive and non-cognitive measures. Quite often we look at grades, CV and letters of motivation. But of course non-cognitive tests (e.g., personality, learning styles etc.) are also used. Although these test come about as being objective, research by Susanne Niessen from RuG showed that this is not the case. Apparently, students fake them in selection procedures. They what? Yes, they FAKE them. Well, of course we could argue that the ones who fake the test are the socially equipped smartasses that we like to see in honors. But, morality is also high on our honors agenda. And with the risk of rejecting our most sincere and honest students, we might want to review our selection methods in this regard.

  1. Assessing the effects of honors

With honors being in place for quite a while now, questions about the effects of honors are often posed. One way to asses this effect is the use of administrative data on student performance. Quite often the idea is to look for difference between honors and regular students. Research by Kim van Broekhoven from ROA pinpoints the weaknesses of such an effect measure and proposes an alternative technique. She compares the ones that just got into honors with the ones who did not. And guess what, when the difference between honors and regular students become smaller, so does the of effect of honors on their GPA. Of course Honors is not, or maybe not at all, about grades. We therefore should look for other effect measures that align with program goals; luckily Kim and her colleagues are currently looking into that.

  1. Observation: how do you know what you see?

A number of researchers talked about the difficulties regarding interpretation of observation data. For instance, Lieke Jager from Radboud University Nijmegen and Saskia Stollman from Leiden University both looked into the ways in which teachers differentiate within the class room. They both used video-guided interviewing and observing. Often, what the researchers thought they saw happening in the classroom, was not how the teachers interpreted it. This raises the question about the best way to make implicit processes and perceptions explicit. Also in honors research, this is a very important issue. We also have ideas on what honors teachers think and value, but it is crucial to find ways in which to study that in a way that deepens our understanding on what actually is happening in teacher-student interactions.

5. Teacher identities and blended learning

When it comes the use of blended learning techniques, two types of  identities are involved: the identity of a teacher and the identity of transforming parts of education in a blended format. Herma Jonker found four positions teachers can take in a blended context. Interestingly, these positions collide with different types of teachers identities.

  • Facilitating and stimulating learning processes (actively accept blended learning)
  • Take care of knowledge transfer (passively accept blended learning)
  • Personal coaching of students (actively avoid blended learning)
  • Communication (passively avoid blended learning)

Could it be that analogue to this, teachers identities differ also for teaching in honors as opposed to regular programs? Something to think about.

6. The importance of social networks.

The keynote by Alan Daly addressed the importance of social networks for education. Although his entertaining talk mainly introduced the concept, one slide stood with us. Schools in which teachers are more interconnected with each other tend to perform better than schools in which teachers have a smaller network. This made us think about the transfer of honors to regular education. Could it be that transfer takes place much more when honors teachers share a strong network within the school? Food for thought as well potential question for a nice research project.

Door: Elanor Kamans, Senior Researcher at research center for talent development and society; Nelleke de Jong, PhD candidate and Tineke Kingma, Research Fellow

Geplaatst in Congres bezoek | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Sneek preview: Eerste resultaten onderzoek middelbare schoolbiografieën

back to schoolOp vrijdag 9 juni 2017 presenteerden Elanor Kamans, Annedien Pullen en ik de eerste resultaten van het onderzoeksproject High School Histories of Honours Students op de International Honours Conference in Zwolle. Heb je onze presentatie gemist en ben je nieuwsgierig naar dit samenwerkingsproject van de Hanzehogeschool en Saxion? Hieronder geef ik een kijkje in onze projectkeuken, en spring ik van de hoofdvragen naar onze interviewmethode, om je daarna mee te kunnen nemen in enkele resultaten van de eerste 6 interviews die wij gecodeerd hebben.

Wat is het doel van het schoolbiografieën project? In it onderzoek richten wij ons op de factoren die de motivatie, uitdaging en prestaties van huidige hbo-honoursstudenten beïnvloedden in de tijd dat zij op de middelbare school zaten. Werden zij op de havo al herkend als talentvol? Wat daagde hen toen uit? Het uiteindelijke doel van het project is om bij te dragen aan de herkenning en stimulering van talent op de havo.

Onze methode is kwalitatief van aard: we gebruikten semi-gestructureerde interviews en een storyline-methode (zie Scager et al. 2014). In de periode van februari tot en met april dit jaar spraken we 24 hbo-honoursstudenten over hun schoolverleden. In een diepgaand interview van zo’n 1,5 uur tekenden we met elke student een ‘storyline’ over hun middelbare schooltijd. Elke storyline bestond uit een grafiek waarin de student drie verschillende kleuren lijnen tekende: één voor motivatie, één voor de mate waarin hij/zij zich uitgedaagd voelde, en één voor zijn/haar prestaties op school. De storylines dienden als gespreksstool, en hielpen studenten om terug te gaan in de tijd.

Voorbeeld van een storyline:

Storyline.png

 

Onze analyse van de eerste zes gesprekken levert een rijke, en natuurlijk nog een vrij diffuse, eerste verkenning op van de factoren die de motivatie van de honoursstudenten kan hebben beïnvloed (ten tijde dat zij op de middelbare school zaten). upHet vooruitzicht van de eindexamens, of uitzicht op een vervolgstudie blijken bijvoorbeeld motiverend. Niet geheel verrassend: het vooruitzicht op afstromen, van vwo naar havo, is juist helemaal niet motiverend.

Het grappige is dat sommige factoren de motivatie twee kanten op beïnvloeden. Zo zijngoede studieresultaten, die zijn verkregen als beloning voor een grote inzet, goed voor de motivatie. De volgende quote van een student illustreert dit: “…het was wel moeilijk maar wel allemaal goed te doen. Dus vond ik het leuk om te leren. Want als je drie uur leerde haalde je een acht of een negen. Dus dat ging wel goed..” Anderzijds noemden de studenten het demotiverend als een minimale inspanning voldoende was (om bijv. een toets te kunnen halen). down.pngZo’n minimal effort attitude ontstaat snel wanneer de stof te eenvoudig is.

Als jij terugdenkt aan je tijd op de middelbare school, herken je dit gevoel dan? Wat waren voor jou factoren die je motivatie positief of juist negatief beïnvloeden? En welke rol speelden docenten op de middelbare school daarbij?

In deze blogpost leggen we slechts enkele van de eerste puzzelstukjes uit. De komende maanden duiken we dieper in het codeerproces, en analyseren we alle 24 interviews.

Door Inge Otto, onderzoeker bij het Lectoraat voor Excellentie in Hoger Onderwijs & Samenleving

 

Referentie:

Scager, K., Akkermans, S. F., Pilot, A., & Wubbels, T. (2014). Challenging high-ability students. Studies in Higher Education, 39(4), 659-679.

 

Informatie over het project:

Projectnaam: High School Histories of Honours Students Projectleden: Elanor Kamans, Annedien Pullen, Inge Otto, Marike Lammers & Marca Wolfensberger Meer informatie: Bekijk deze pagina.

Geplaatst in Actuele ontwikkelingen, Congres bezoek, Evenementen, Onderzoek & wetenschap | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Effectief schrijven zonder stress: is dat mogelijk?

How to write a lot

Als promovenda heb ik een helder einddoel: aan het einde van vier jaar (waarvan er al weer bijna 1,5 voorbij zijn) moet er een proefschrift liggen, met daarin mooie artikelen over cultuur van excellentie (Van Gorp et al. 2017)  en de transfer van honours naar regulier onderwijs (voor meer informatie zie  EXChangeproject). Dat is mijn stip op de horizon.

Om daar te komen moet ik een heleboel kleine en grotere stappen zetten. In mijn eerste jaar was de grootste stap het schrijven van mijn onderzoeksplan en daaraan gerelateerd het afbakenen van mijn onderzoek. Nu ben ik weer iets verder en dient de volgende stap zich aan: het schrijven van mijn eerste artikelen.

En hoewel daarmee mijn einddoel weer een stap dichterbij komt, is het schrijven niet zomaar gedaan. Naast veel inhoudelijke keuzes die gemaakt moeten worden en het zoeken naar de juiste woorden, merk ik dat ik ook in het schrijfproces zelf nog wel wat te leren heb. Ik was dan ook benieuwd of het boekje van Paul J. Silvia ‘How to write a lot’ (2010) mij iets zou brengen. In deze blog wil ik de belangrijkste tips die hij geeft om effectief en gestructureerd te schrijven, delen.

Het schrijven van artikelen, het delen van onderzoeksresultaten, is een vast onderdeel van ons werk als onderzoeker. Tegelijkertijd is schrijven voor veel academici lastig. Zowel beginnende als gevorderde onderzoekers zuchten onder de last van het ‘moeten schrijven, maar er niet aan toekomen’.

Het eerste waar Silvia ons op wijst, is dat schrijven een vaardigheid is, net zoals het opzetten en uitvoeren van onderzoek. En deze vaardigheid moet aangeleerd en getraind worden. Zodra schrijven routine wordt en deel is van onze dagelijkse taak, kost het minder moeite, stress en schuldgevoel en worden we productiever.

Schrijfbarrières

Volgens Silva, zijn er een aantal barrières, redenen die vaak genoemd worden door mensen waarom het schrijven niet lukt:

  1. Ik kan geen tijd vinden om te schrijven/ ik zou meer schrijven als ik grotere blokken tijd had.

Dit argument gebruik ik zelf ook vaak. Het is geruststellend, de oorzaak ligt niet bij mezelf maar bij de omgeving. Mijn agenda loopt vol, iedereen wil iets van me, er blijft te weinig tijd over. Weet je wat, ik plan binnenkort gewoon twee dagen en dan…

De oplossing voor deze barrière en de kern van het boek zit in het woord ‘vinden’. Je moet geen tijd vinden, maar tijd toewijzen. Net zoals tijd voor andere taken vaststaat, zoals het geven van colleges, aanwezig zijn op vergaderingen etc. moet de tijd om te schrijven per week ingeroosterd staan in je agenda. Dat betekent ook dat je deze tijd moet verdedigen tegen alles en iedereen die er inbreuk op wil maken.

Hier is meteen de belangrijkste boodschap van het boek: Een schema maken en je eraan houden is de enige manier om veel te schrijven. Simpelweg het feit dat je elke keer weer gaat zitten om te schrijven is wat je productief maakt.

  1. Ik moet eerst nog meer analyses doen/ ik moet nog meer lezen voor ik kan gaan schrijven

Dit klinkt als een logisch argument, maar kan makkelijk gebruikt worden om uitstelgedrag te rechtvaardigen. De oplossing is simpel: doe alles wat je nodig hebt om te kunnen schrijven tijdens je toegewezen schrijftijd. Bijvoorbeeld het lezen van een aantal artikelen, het uitvoeren van extra SPSS analyses etc. Plan dat in.

  1. Ik heb betere apparatuur of een betere plek nodig om te kunnen schrijven

Het moment dat je moet gaan schrijven is vaak het moment dat je bureau opgeruimd moet worden, je zoekt naar een betere plek om te schrijven of je druk  maakt over dat de printer het niet doet. Echter, het enige dat je nodig hebt om te kunnen schrijven is een computer, een tafel en een stoel.

  1. Ik wacht tot ik inspiratie heb

Ook hier maakt Silva korte metten mee. Wachten tot je inspiratie krijgt werkt niet, het werkt zelfs contraproductief. Uit onderzoek blijkt dat systematisch werken en je houden aan het schema leidt tot het krijgen van meer creatieve ideeën en tot het produceren van meer pagina’s per dag.

Op dit punt in het boek dwingt Silvia je bijna tot actie. Hij schrijft: ‘When struggling writers defend their unwillingness to make a schedule, they’re sticking up for the cause of their struggles’ (p.23). Wanneer je daadwerkelijk een schema hebt gemaakt, gaat het boek verder met een drietal tips die helpen om je motivatie vast te houden en je daadwerkelijk aan het schema te houden.

Hulpmiddelen

Deze tips zijn:

  1. Het stellen van doelen

Maak een lijst van alle projectdoelen die je hebt, alle dingen die je de komende maanden moet of wilt schrijven. Dit kan van alles zijn, van een artikel dat af moet, een idee voor een nieuw artikel, een blog, een subsidieaanvraag etc. Prioriteer deze lijst. Wat heeft voorrang, wat moet er eerst af? Projecten met deadlines gaan voor, artikelen voor je proefschrift ook. Overige schrijftaken komen achteraan. Verdeel daarna je projecten in doelen per dag, zo concreet mogelijk. Bijvoorbeeld: schrijf 200 woorden, print een eerste concept, lees en redigeer het, of maak een opzet voor een nieuw artikel.

  1. Het bewaken van de voortgang

Houd je eigen voortgang bij en noteer per dag of je je doel behaald hebt. Dit dwingt je aan de ene kant om je doelen heel precies (en haalbaar!) te formuleren en tegelijkertijd geeft het je inzicht in hoe je bezig bent en stimuleert het om je goede gedrag voort te zetten.

  1. Vorm een schrijf-support groep

Maak een groep met mensen die op dezelfde manier te werk gaan. Spreek 1x per week of 1x per twee weken af en houd je aan de volgende afspraken:

  • Maak concrete, korte termijndoelen en bewaak de voortgang van de groep;
  • Houd het doel van de groep bij schrijfdoelen, bespreek geen andere zaken;
  • Houd elkaar scherp en vier successen;
  • Maak indien nodig aparte groepen van mensen met dezelfde type schrijfdoelen

Conclusie

En dan nu natuurlijk de conclusie: werkt het? Op deze vraag wil ik de komende maanden een antwoord krijgen. Vandaag hebben we met een aantal mensen afgesproken om hier concreet mee aan de slag te gaan. Volgende week is onze eerste ‘How to write a lot’-bijeenkomst waarin we onze doelen bespreken en aan de slag gaan. Ik merk in ieder geval al wel dat het erover nadenken voor nieuwe energie en inspiratie om te schrijven zorgt. Nu nog zorgen dat ik mijn schrijftijd goed bewaak!

 

Door: Nelleke de Jong, promovenda Lectoraat Excellentie in Hoger Onderwijs en Samenleving/ Universiteit Twente

Silvia, P.J. (2010). How to write a lot. A practical guide to productive academic writing. Washington, D.C.: APA.

Geplaatst in books, Onderzoek & wetenschap | Tags: | Een reactie plaatsen

The Grit-Factor

excellence blog svenja

Bijna is ie klaar: de Measurement Culture of Excellence (MCE-tool). Een instrument waarmee de studiecultuur aangaande excelleren in kaart kan worden gebracht binnen opleidingen voor Hoger Onderwijs. Eén van de vragen uit de MCE-tool betreft studentkenmerken. Studenten en docenten geven aan wat zij kenmerkend vinden voor excellente studenten. Hierbij valt te denken aan getalenteerd, creatief en intelligent zijn, kritisch en out of the box kunnen denken, kunnen samenwerken en doorzettingsvermogen hebben. Het is vervolgens zaak om de relevante kenmerken af te zetten tegen het selectiebeleid van een opleiding. Specifiek dat van een honoursprogramma omdat excellente studenten zich daar concentreren. Wordt er geselecteerd op de kenmerken die echt nodig zijn om als student excellente prestaties neer te kunnen zetten?

Onlosmakelijk hieraan verbonden is de vraag of de toelatingseisen van een honoursprogramma daadwerkelijk excellente studieprestaties van studenten voorspellen? Duckworth (2016) onderzocht hoe getalenteerd zijn zich verhoudt tot studiesucces. Hoewel de doelgroep niet geheel vergelijkbaar was (want variërend van leerlingen die deelnamen aan een nationale spellingscompetitie tot militairen in opleiding), is haar conclusie opmerkelijk: studiesucces wordt geenszins bepaald door intelligentie. Van aanzienlijk invloed bleek een mix van vastberadenheid en toewijding, bestaand uit de kernwaarden hoop, inspanning, precisie, passie, rituelen en prioriteiten. Duckworth noemt deze mix ‘grit’ en schrijft hierover in haar boek ‘De grit-factor’ waarin ze de ‘grit-scale’ introduceert waarmee gemeten kan worden in hoeverre iemand over deze kernwaarden beschikt.

Ook geeft Duckworth aanwijzingen voor het ontwikkelen van passie en het aanleren van doorzettingsvermogen. Haar hoopgevende boodschap luidt: wie graag wil en nooit opgeeft, bereikt het meest. Deze boodschap roept echter wel vragen in me op. Hoef je dus geen genie te zijn om uit te kunnen excelleren? Hoe zet je door wanneer succeservaringen uitblijven? In hoeverre spelen persoonlijkheidskenmerken hierin een rol? Word je wel gelukkig van het voortdurend hoog/hoger leggen van de lat? Als succes het doel is, maar je (tijdelijk) niet kunt genieten van de weg er naar toe, je niet tevreden bent met een schaarse oogst na al het zaaien en onderweg wellicht intense faalervaringen opdoet, is het the road to possible succes dan waard? Succesvolle mensen, waaronder niet in de laatste plaats Duckworth zelf, zullen deze vraag met ja beantwoorden.

Door Svenja Buttner, onderzoeker Lectoraat Excellentie in Hoger Onderwijs en Samenleving, docent/promovendus Pedagogische Academie Hanzehogeschool Groningen

Duckworth, A. (2016). De grit-factor. De kracht van passie en doorzettingsvermogen. Amsterdam: A.W. Bruna.

Geplaatst in books, Onderzoek & wetenschap | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De vijf mijlpalen van het lectoraat EHOS.

imgp7905

Onlangs reisde het lectoraat EHOS af naar het Brinkhotel in Zuidlaren om plannen te maken voor de toekomst, maar ook om terug te kijken op het verleden. Zo kwamen we tot 5 mijlpalen die allemaal op verschillende wijze een bijdrage leveren aan onderwijs, wetenschap en praktijk. We zijn blij met onze mijlpalen en presenteren ze met trots!

1 Honours docentprofessionalisering

Om excellentie te bevorderen, bieden wij docent-professionaliseringsactiviteiten aan. Een voorbeeld van honoursprofessionalisering is de Leergang. De leergang is een innovatiewerkplaats voor honoursdocenten. In de leergang leren docenten talent te herkennen, erkennen en stimuleren. De Leergang is gebaseerd op onderzoek uit het lectoraat en wetenschappelijke kennis over talentontwikkeling. In de leergang maakt de docent zich de honoursdidactiek eigen en doet de docent zelf onderzoek naar de eigen onderwijspraktijk. De docenten worden uitgedaagd door een innovatieve lesaanpak. Ook studenten hebben een rol in de leergang. Aan het eind van elke leergang is er een symposium gericht op kennisdeling. Wij bieden deze leergang niet alleen aan binnen de Hanze (HBO), maar ook binnen Noorderpoort (MBO). Daarnaast organiseren we activiteiten op dit vlak voor het VO. Met het International Faculty Institute (summerschool voor docenten in samenwerking met John Zubizaretta, Beate Jones en Bernice Braid) verlegden we afgelopen jaar de grenzen naar het buitenland.

2 Toekenning van NRO-onderzoeksubsidies

In 2016 zijn twee belangrijke NWO/NRO-onderzoekssubsidies toegekend. Van één van deze aanvragen is het lectoraat hoofdaanvrager en penvoerder. In het andere onderzoeksprogramma participeren onderzoekers van het lectoraat. Beide aanvragen gaan over excellentieonderwijs en de verhouding tussen honoursonderwijs en regulier onderwijs. De toegekende subsidies stellen ons in staat om innovatief en kwalitatief hoogwaardig onderzoek te doen dat bijdraagt aan wetenschappelijk nieuwe kennis in de vorm van promotieonderzoek. Beide projecten genereren kennis in hoe inzichten uit het honoursonderwijs toegepast kunnen worden in het reguliere onderwijs. Daarmee doen ze recht aan de behoefte aan gepersonaliseerd onderwijs en de noodzaak om in te zetten op een instellingsbrede ambitieuze studiecultuur. De opbrengsten van beide onderzoeksubsidies worden direct vertaald naar de onderwijspraktijk en leveren input voor het beleid van instellingen in het hoger onderwijs.

3 Het profielenonderzoek van de excellente professional

Het profielenonderzoek verbindt het honoursonderwijs met de verwachtingen van het werkveld. Uitgangspunt is wat het werkveld verstaat onder excellentie. Het werkveld heeft behoefte aan talent in een globaliserende en dynamische wereld. Het onderzoek geeft antwoord op de vraag: wat wil het werkveld van onze honoursstudenten? De uitkomst van het profielen onderzoek is dat bijna alle 17 schools van de Hanzehogecshool een op empirisch onderzoek gebaseerd competentieprofiel van de excellente professional hebben. Deze profielen zijn direct relevant voor de honoursprogramma’s en vormen de basis voor het curriculum van de honoursprogramma’s. De wetenschappelijke relevantie van het profielenonderzoek ligt zowel in de solide methodiek als de niche in de literatuur die wordt bediend. In veel van de beroepsgroepen is weinig aandacht voor de excellente of talentvolle beroepsbeoefenaar. Vijf van de profielen zijn inmiddels dan ook gepubliceerd of under review in nationale en internationale peer reviewed tijdschriften.

4 Ontwikkeling en implementatie cursus wereldburgerschap ‘Samenleving 2.0’

De cursus wereldburgerschap is een co-creatie van een van onze promovendi en twee docenten. Het is een 4ECTS interdisciplinaire module die honoursstudenten voorbereidt op hun rol als burger in de wereld. Het ontwerp van de cursus is gestoeld op een op literatuuronderzoek gebaseerd model voor Global Justice Citizenship Eductaion. Naast de ontwikkelde cursus zelf, is er ook onderzoek gedaan naar de effecten van deze cursus op studenten. Uit dit onderzoek blijkt dat studenten bewuster zijn geworden van ethische aspecten, geleerd hebben van alternatieve bewegingen en mensen met andere achtergronden dan zijzelf en zich daardoor meer bewust zijn van hun eigen rol in de samenleving en in beweging komen. De cursus draagt op deze wijze bij aan wetenschap onderwijs en maatschappij. Op dit moment zijn er twee artikelen under review die de ontwikkeling en de effecten van de cursus beschrijven.

5 Onderzoek Honours in Europe heeft geleid tot oprichting European Honours Council

Het onderzoek Honours in Europe is eind 2013 gestart vanuit de vraag ‘wat gebeurt er in Europa op het gebied van honoursonderwijs?’ Voor 11 landen is de onderwijsorganisatie, de houding ten aanzien van excellentie binnen onderwijs en de staat van het honoursonderwijs in kaart gebracht. Het resultaat van het onderzoek is de eerste gestructureerde inventarisatie voor 11 Europese landen. Deze staat beschreven in het boek Honors in Europe (Wolfensberger, 2015) dat al meer dan 50.000 keer gedownload is. Uit het onderzoek blijkt dat rond het onderwerp talentontwikkeling in alle landen beweging zichtbaar is. Ook bleek er een grote behoefte te zijn aan kennisuitwisseling en samenwerking.  Om hieraan tegemoet te komen, is de European Honors Council opgericht (www.europeanhonorscouncil.eu). Het lectoraat is met drie mensen in het bestuur goed vertegenwoordigd, met de lector als voorzitter. In het eerste halfjaar zijn 150 mensen lid geworden. De EHC verbindt onderzoekers, docenten en beleidsmakers uit Europa en legt daarnaast contact met honoursorganisaties in de VS en China.

Door Elanor Kamans, senior onderzoeker lectoraat EHOS en docent Toegepaste Psychologie 

Referenties

Wolfensberger, M. V. C. (2015). Talent development in European higher education: Honors programs in the Benelux, Nordic and German-speaking countries [Springer Open]. doi: 10.1007/978-3-319-12919-8

Geplaatst in Evenementen | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Honours PhD research-teaching day: Bridging the gap between honours PhD research and the honours practice

lampje

Last Thursday, 19 January, the first “Honours PhD research-teaching day” took place in Groningen. Also known as the “honours PhD day”, this event was organized by the research center for talent development in higher education and society. It was the first time in the Netherlands (maybe even in Europe) that an event focusing on PhD research on education for talented/gifted/honours students was organized.

PhD research on honours education is a new experience in the Netherlands. In 2012, the first dissertation in honours was published (Teaching for excellence, by Marca Wolfensberger). Since then, 4 other dissertations on this subject have been published, reflecting the growing interest in this field of research (Hitting the high notes, by Karin Scager; Intelligent interveniëren, by Josephine Lappia; X-factor for innovation, by Janina Banis; and Excellence in Higher Education, by Ada Kool). Last Thursday, the honours PhD day brought together 9 PhD candidates, giving them the opportunity to meet, enlarge their network and learn from each other. In addition, contact was made with other PhD candidates doing research on honours who could not join the event, but are now part of the ‘honours PhD network’. The morning programme was specifically designed to help PhD candidates to get to know each other and make progress in their research. In small groups, PhD candidates shortly presented their research and brought a question they wanted to receive feedback on. The groups were moderated by experts in the field: Marca Wolfensberger, Leonie Kronborg, Kirsi Tirri, Ada Kool and myself.

foto-1-phd-dag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Group of PhDs and experts at the morning programme.

With the aim of bridging the gap between PhD research on honours education and the actual educational practice, the afternoon programme focused on the question: how can my PhD research help honours education? In poster discussion rounds, PhD candidates presented the practical implications of their research to lecturers, policy makers, researchers and others interested in honours education. Time was too short to embrace all the fruitful discussions that took place in the multiple rounds, confirming the need for more opportunities to connect educational research and practice.

foto-phd-dag-2

Poster discussion session

Following the discussions, we attended the keynote lecture of our guest speaker, Prof. Dr. Kirsi Tirri, Professor of Education and Research Director at the Department of Teacher Education at the University of Helsinki, Finland. In her keynote, Dr. Tirri made clear the importance of inclusive education and that it must include gifted students, considering their needs in curriculum planning and teaching methods used. Dr. Tirri also identified common misconceptions concerning gifted students and gifted education and provided recommendations to teachers to help them meet the needs of gifted students in inclusive educational settings (click here to view the keynote).

Due to the visit of Dr. Leonie Kronborg, expert in the field of Gifted Education from the Faculty of Education, Monash University, Victoria, Australia, the honours PhD day’s programme continued on Friday morning, when Dr. Kronborg gave a lecture titled “Effective teaching of gifted and highly able secondary students for talent development: a case study”. In her lecture, she showed the impressive results of a longitudinal study on teacher’s perspectives on gifted education and the teaching strategies used.

foto-3-phd-dag

Dr. Leonie Kronborg

We were happy to hear from PhD candidates that they have enjoyed the programme, have learned from the experts and form each other, that the feedback they received helped them move forward in their research and that they felt that their research matters. It is often difficult for those involved in educational research to translate their results into practice and, the other way around, it is often hard for policy makers and lecturers to see the added value of PhD research to their daily practice. We hope the honours PhD day has accomplished its ambition of helping bridge this gap between honours research and practice. We look back with fulfillment and joy at this first honours PhD day, certain that this was only the first of many to come. (See also the article on by Science guide)

Patricia Robbe – Senior researcher Research Centre for Talent Development in Higher Education and Society

Geplaatst in Evenementen, Onderzoek & wetenschap | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Balanceren als docent tussen zelf autonomie krijgen en autonomie bieden aan studenten

balans

In 2016 is in het Tijdschrift voor Hoger Onderwijs het artikel ‘De autonomie-ondersteunende doceerstijl in excellentieprogramma’s: de invloed van mindset, motivatie en druk vanuit de sociale werkomgeving’ verschenen. Deze blog geeft een samenvatting van dit artikel en een aantal toepassingsmogelijkheden voor docenten en opleidingscoördinatoren in de praktijk

Samenvatting

Excellentieprogramma’s staan sinds de start van het Sirius Programma in 2008 hoog op de nationale onderwijsagenda. Intrinsiek gemotiveerde honoursstudenten prefereren docenten die hun motivatie voeden door autonomie-ondersteuning, gecombineerd met het bieden van structuur en verbondenheid. Deze studie richt zich op de samenhang tussen hoe een docent bepaalde aspecten in zijn/haar sociale werkomgeving ervaart en welke invloed dat heeft op zijn/haar doceerstrategie, in het bijzonder de strategie die autonomie ondersteunt.

Factoren waar naar gekeken is vanuit de werkomgeving zijn: motivatie van de docent, mindset en druk vanuit de werksituatie. De doceerstrategie waarnaar gekeken is, is de autonomie-ondersteunende doceerstijl. Docenten die werken vanuit een autonomie-ondersteunende doceerstijl richten zich op het bevorderen van autonoom gedrag. Het gaat hierbij om het identificeren, voeden en het opbouwen van persoonlijke interesses en waarden (Reeve & Jang, 2006). Docenten ruimen tijd in om studenten een probleem op hun eigen manier te laten oplossen of om te experimenteren om nieuwe dingen te ontdekken. De motivatie en de zelfregulatie wordt gevoed door te werken met uitdagende opdrachten, die vrijheid bieden om keuzes te maken.

Van belang is dat de docent een zinvolle en realistische uitleg geeft over waarom de leerstof toch aandacht verdient. Hij biedt een betekenisvolle rationale (Jang, Reeve, & Deci, 2010) door de student uitleg te bieden zonder gebruik te maken van controlerende taal. De docent biedt structuur (Reeve, 2009; Skinner & Belmont, 1993). Dit doet hij door de leeractiviteiten van de studenten te kaderen en expliciet te zijn over wat er verwacht wordt van de student. Docenten die structuur bieden, worden geassocieerd met een hoger niveau van zelfregulatie (Sierens, Vansteenkiste, Goossens, Soenens, & Dochy, 2009). Structuur wordt door een docent ingezet om de autonomie te ondersteunen en de verbondenheid te faciliteren.

Het creëren van gemeenschap, ook wel community vorming genoemd, is belangrijk voor effectief onderwijs (Kusurkar, 2012; Wolfensberger, 2012). Het contact en de interactie met de docent is een belangrijke determinant voor de leeruitkomsten van de student. Oprechte interesse in de student is de sleutel tot succes en tot het aanzetten van de autonome motivatie van de studenten (Van Lieshout & Bakx, 2014). Om aan de psychologische behoefte verbondenheid tegemoet te komen, is het van belang dat de docent openstaat voor de gedachten, gevoelens en het gedrag van de student.

De onderzochte hypothese luidt: het bieden van een autonomie-ondersteunende doceerstijl aan studenten in extracurriculaire excellentieprogramma’s hangt positief samen met docenten die zelf vrijheid ervaren vanuit hun sociale werkomgeving, die zelf intrinsiek gemotiveerd zijn, en die zelf een growth mindset hebben. Honoursdocenten (N = 47) van zes hogescholen hebben een digitale vragenlijst ingevuld. Correlatieberekeningen laten zien dat een fixed mindset gepaard gaat met het bieden van meer structuur, en dat het ervaren van druk vanuit de sociale werkomgeving gepaard gaat met het bieden van minder autonomie en minder structuur. De balans tussen autonomie en structuur en ervaren werkomgevingsdruk blijft een belangrijk thema voor toekomstig beleid en scholing rondom excellentieprogramma’s.

Handreiking om het artikel te gebruiken in de praktijk voor docenten en ontwikkelaars.

Bijgaand artikel is vertaalt in een overall sheet.

overall-sheet

 

Het artikel heeft geleid tot een groter bewustzijn bij opleidingscoördinatoren van zowel honours als regulier onderwijs over hoe belangrijk het is om als docent zelf autonomie te ervaren om ook echt autonomie aan de student te kunnen bieden. Door de overall sheet zien docenten en managers in een oogopslag wat een autonomie-ondersteunende doceerstijl op kan leveren voor de student. Iedere professional in het onderwijs wil graag nieuwsgierige studenten die minder uitvallen en zich prettig voelen.

Voorbeelden van gebruik door opleidingscoördinatoren:

  • Opleidingscoördinatoren kunnen de samenvattende sheet gebruiken bij een teamoverleg met het management om in gesprek te gaan over hoe de ervaren druk beperkt kan worden bij een nieuwe onderwijsontwikkeling.
  • Bij het formuleren van nieuw beleid ten aanzien van professionalisering kunnen docenten gevraagd worden waarom professionalisering wenselijk is en wat daar voor nodig is. Na dit verzameld te hebben, vullen docenten zelf in hoe zij zich gaan professionaliseren en wanneer zij zich voldoende geprofessionaliseerd voelen.

Voorbeelden van gebruik door docenten:

  • Docenten brengen eigen casuïstiek in en wisselen met elkaar uit wat ze kunnen doen om meer autonomie te bieden, wat zij kunnen doen om meer structuur te bieden en hoe dit goed in balans gebracht kan worden;
  • Docenten kunnen kennis maken met de autonomie-ondersteunende doceerstijl door op de hogeschool een online omgeving in te richten met mooie voorbeelden;
  • De autonomie-ondersteunende doceerstijl kan het referentiepunt worden voor een intervisietraject waarbij elke docent een lessituatie opneemt, dit inbrengt in de intervisie en feedback krijgt om het meer autonomie-ondersteunend te maken. Op deze wijze kan een community gecreëerd worden waarin docenten elkaar didactisch voeden.

Door Tineke Kingma, fellow in de Kenniskring Excellentie in Hoger Onderwijs en Samenleving en coördinator van de Windesheim Honoursprogramma’s.

Volledige gegevens artikel: Kingma, T., Kamans, E., Heijne-Penninga, M., & Wolfensberger, M. V. C. (2016). De autonomie-ondersteunende doceerstijl in excellentieprogramma’s: de invloed van mindset, motivatie en druk vanuit de socialewerkomgeving. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 34(1), 5-22.

Jang, H., Reeve, J., & Deci, E. L. (2010). Engaging students in learning activities: It is not autonomy support or structure but autonomy support and structure. Journal of Educational Psychology, 102(3), 588. doi:10.1037/a0019682

Kusurkar, R. A. (2012). Motivation in medical students. Oisterwijk, Utrecht. Retrieved from http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/234627 on 7 January 2015

Reeve, J. (2009). Why teachers adopt a controlling motivating style toward students and how they can become more autonomy supportive. Educational Psychologist, 44(3), 159-175. doi:10.1080/00461520903028990

Reeve, J., & Jang, H. (2006). What teachers say and do to support students’ autonomy during a learning activity. Journal of Educational Psychology, 98(1), 209. doi:10.1037/0022-0663.98.1.209

Sierens, E., Vansteenkiste, M., Goossens, L., Soenens, B., & Dochy, F. J. R. C. (2009). The synergistic relationship of perceived autonomy support and structure in the prediction of self‐regulated learning. British Journal of Educational Psychology, 79(1), 57-68. doi:10.1348/000709908X304398

Skinner, E. A., & Belmont, M. J. (1993). Motivation in the classroom: Reciprocal effects of teacher behavior and student engagement across the school year. Journal of educational psychology, 85(4), 571. doi:0022-0663/V3/S3.0O

Van Lieshout, S., & Bakx, A. (2014). Pedagogische sensitiviteit stimuleert autonome motivatie. Onderwijsinnovatie, 16(3), 38-39.

Wolfensberger, M. V. C. (2012). Teaching for Excellence. Honors Pedagogies Revealed. Waxmann, Münster.  

 

 

Geplaatst in Onderzoek & wetenschap | Tags: , , | Een reactie plaatsen